Tussen de regels - juni 2026

Een groene blik op de gemeenteraad

Gemeenteraden hebben de reputatie saai te zijn. Ze gaan over reglementen, cijfers en technische dossiers. Over artikels die aangepast worden, tarieven die stijgen of dalen en komma’s die verschuiven. Met tropische temperaturen en de belofte van een mooie zomer in de lucht lijkt zo’n agenda niet meteen lectuur om enthousiast van te worden.

Toch zijn gemeenteraadsbeslissingen zelden echt technisch. Wie wat langer blijft luisteren, merkt dat het over veel meer gaat. Achter elk cijfer schuilt een mens. Achter elk reglement schuilt een keuze. En achter elke keuze schuilt opnieuw een mens. Eigenlijk draait het telkens weer om dezelfde eenvoudige vraag: wie zien we wel, en wie zien we niet?

Dat bleek ook de rode draad door deze gemeenteraad. Terwijl de agenda zich punt na punt ontvouwde, ging het in heel verschillende dossiers telkens opnieuw over dezelfde vraag. Niet hoeveel dossiers we konden afvinken, maar of het beleid de mensen bereikt voor wie het bedoeld is.


♻️ DifTar: afvalbeleid moet ook sociaal zijn

Groen steunt DifTar voluit. De vervuiler betaalt, dat is eerlijk. In heel wat gemeenten bewijst het systeem al jaren dat het werkt. Maar een goed systeem is pas écht goed als het ook rekening houdt met mensen die niet anders kunnen dan meer afval produceren, of voor wie elke extra kost zwaar doorweegt. En daar zat de discussie deze gemeenteraad.

Bij dat principe past voor ons wel één bedenking. DifTar vertrekt van de gedachte dat mensen vooral via hun portemonnee tot beter sorteren worden aangezet. Voor wie de keuze heeft, klopt dat eerlijkheidsprincipe: wie meer vervuilt, betaalt meer. Maar wie goed sorteert, doet dat zelden omdat het goedkoper is — wel omdat het makkelijk gemaakt wordt en omdat men het belang ervan inziet. En wie niet kan sorteren, of niet minder afval kan produceren, wordt door een hogere factuur niet gemotiveerd, maar gewoon zwaarder belast. Daarom kijken wij niet in de eerste plaats naar de prikkel, maar naar de mensen achter die prikkel.

Het bestuur noemt zichzelf sociaal. Meer nog: in het eigen meerjarenplan staat onder beleidsdoelstelling 20 dat het inzet op de automatische toekenning van gemeentelijke premies. Alleen doet het reglement dat nu voorlag precies het tegenovergestelde. Mensen moeten hun recht zelf aanvragen, terwijl de bestaande sociale correcties vandaag amper iemand bereiken.

De cijfers spreken voor zich. Vorig jaar kregen slechts 19 inwoners zo’n sociale correctie. Tegelijk hebben meer dan 2.200 Beernemnaren recht op een verhoogde tegemoetkoming. Uiteraard heeft niet iedereen uit die groep automatisch recht op een afvalkorting, maar het verschil is te groot om zomaar te verklaren. Het doet vermoeden dat heel wat mensen die wél recht hebben op steun, die nooit krijgen.

Daarom dienden we geen drie losse amendementen in, maar één samenhangend voorstel. Niet omdat het ons om technische details ging, wel omdat we één eenvoudige vraag wilden stellen: maakt dit bestuur zijn eigen sociale belofte waar? We vroegen een automatische correctie voor gezinnen met kinderen onder drie jaar, een correctie voor mensen met een verhoogde tegemoetkoming en een automatische indexering van die bedragen, zodat de steun niet jaar na jaar aan waarde verliest.

De schepen verdedigde haar keuzes. Voor luiers wees ze op herbruikbare alternatieven en het Woesh-systeem dat de gemeente promoot. Een begrijpelijk argument, al is die overstap niet voor elk gezin haalbaar. Ook een verhoogde tegemoetkoming vond ze geen goede basis, omdat die rekening houdt met inkomen en niet met vermogen. Theoretisch klopt dat. Maar in de praktijk blijft dit dé indicator die overal in Vlaanderen gebruikt wordt om financiële kwetsbaarheid in te schatten. Opvallend genoeg stelde ook IVBO voor om precies dat statuut als basis voor de sociale correcties te gebruiken. Dat advies werd bewust niet gevolgd.

Op één punt werd het debat wél omgezet in beleid. De sociale correcties zullen voortaan geïndexeerd worden. Niet op de manier die wij voorstelden, maar het principe werd wel overgenomen.

Ons amendement haalde het uiteindelijk niet. Toch bleef voor ons één vraag boven de markt hangen. Niet wie nét wel of nét niet recht heeft op een correctie, maar waarom een bestuur dat automatische toekenning belooft, een systeem invoert waarbij zo weinig mensen de steun bereiken waarop ze mogelijk recht hebben.


🏡 Sociale woningen: schaarste eerlijk verdelen is niet genoeg

Sommige dossiers lijken gemaakt om mensen af te schrikken. Nieuwe pijlers, woonbinding, percentages, uitzonderingen… Je moet al goed wakker zijn om erdoor te raken. Tot je beseft waar het écht over gaat: wie krijgt als eerste een betaalbare woning, en wie moet nog wat langer wachten?

Vanaf 1 januari 2027 treden nieuwe Vlaamse regels in werking die het systeem eenvoudiger en transparanter moeten maken. Op zich een goede zaak. Maar ook binnen dat kader blijven lokale besturen keuzes maken. Zo kozen Beernem, Damme, Jabbeke, Oostkamp en Zedelgem ervoor om strenger te zijn dan Vlaanderen vraagt. Geen vijf jaar, maar zes jaar ononderbroken in de gemeente wonen. Volgens de schepen is dat nodig omdat Vlaanderen later ook werkbinding invoert: wie hier één jaar werkt, komt dan op gelijke hoogte met iemand die hier vijf jaar woont.

Op papier lijkt één extra jaar een detail. In het leven van mensen is dat zelden zo. Voor iemand die na een scheiding opnieuw moet beginnen, of voor een gezin dat hier nog maar enkele jaren woont en kreunt onder de private huurprijzen, kan dat ene jaar het verschil maken tussen uitzicht op een woning of nog langer wachten.

Toch zat voor Groen de kern van het debat ergens anders. Niet in de woonbinding, maar in de schaarste. Beernem telt vandaag 269 sociale huurwoningen. Dat zijn er gewoon te weinig. En zolang de vraag groter is dan het aanbod, blijven we kwetsbare mensen tegen elkaar afwegen. Senioren tegenover jonge gezinnen. Alleenstaanden tegenover grote gezinnen. Mensen die hier al langer wonen tegenover mensen die hier recenter kwamen wonen, maar even hard een betaalbare woning nodig hebben.

Wij vinden dat de vraag anders moet beginnen: niet hoe lang iemand ergens woont, maar hoe groot de woonnood is.

Wie acuut dakloos is, krijgt gelukkig al voorrang via een aparte procedure. Maar een gezin dat veel te duur of veel te klein woont, komt op de gewone wachtlijst terecht. Daar weegt niet de nood het zwaarst, maar de lokale binding. We legden dat ook expliciet voor aan de schepen. Zij bevestigde dat vrijwel iedereen op die wachtlijst een reële woonnood heeft – “anders zouden ze er niet op staan” – en dat het meestal gaat om mensen die de huurprijs niet meer kunnen dragen. Toch bepaalt uiteindelijk vooral hoe lang iemand hier woont wie sneller aan de beurt komt. Daar schuurt het.

Dat onze oppositiepartner de woonbinding nog verder wilde aanscherpen, met voorrang voor mensen die hier geboren zijn, maakte het verschil in visie alleen maar duidelijker. Voor sommigen weegt de duur van je aanwezigheid het zwaarst. Voor Groen weegt de nood het zwaarst.

Maar eigenlijk blijft dat een debat over het verdelen van schaarste. En zolang je schaarste verdeelt, valt er altijd iemand uit de boot.

Daarom onthielden we ons bij de stemming. Niet omdat de woonmaatschappij het Vlaamse kader verkeerd toepast, maar omdat de gemeente binnen haar eigen beleidsruimte bewust kiest om anciënniteit zwaarder te laten wegen dan woonnood. En daarmee bleef opnieuw dezelfde vraag hangen: wie bereiken we met het beleid, en wie blijft achter?


📚 Bibliotheek Oedelem: een ontmoetingsplek verdwijnt niet zomaar

Schaarste gaat niet alleen over woningen. Soms gaat ze ook over plekken waar mensen elkaar vanzelf tegenkomen.

Zo kwam ook de bibliotheek van Oedelem op tafel. Een bibliotheek is veel meer dan een plek waar boeken worden uitgeleend. Ze is een ontmoetingsplek. Een warme ruimte waar je mag binnenstappen zonder iets te moeten kopen. Waar kinderen de liefde voor lezen ontdekken. Waar een dorp zichzelf tegenkomt. Net daarom blijven wij het jammer vinden dat Oedelem die plek verliest.

Wat ons vooral opviel, was de volgorde waarin dit gebeurt. De ruimte die vrijkwam door de sluiting van de spellenbib krijgt nu al een nieuwe bestemming, terwijl het dorpspunt nog altijd niet uitgewerkt is. Eerst verdwijnt een publieke functie, daarna bekijken we wat ervoor in de plaats kan komen.

Voor Groen zou het net omgekeerd moeten zijn. Bouw eerst een volwaardig alternatief uit, en neem pas daarna afscheid van wat er al is. Anders dreigt niet alleen een bibliotheek te verdwijnen, maar ook een stukje van het sociale weefsel van een dorp.


🚴 Forza8330: duidelijke regels scheppen vertrouwen

Ook het dossier rond Forza8330 bleek uiteindelijk over meer te gaan dan de wielerclub zelf. Laat daar geen misverstand over bestaan: onze bedenkingen gingen niet over Forza. Integendeel. Verenigingen zijn het kloppend hart van een gemeente en verdienen ondersteuning. Maar precies daarom verdienen ze ook duidelijke regels.

Het concrete dossier ging over een ruimte in het Schepenhuys die nog niet in het verhuursysteem was opgenomen. Toch reikte de discussie verder dan die ene ruimte. Onze oppositiepartner verwoordde het scherp: dit is geen incident, maar een symptoom. Zolang er geen algemeen kader bestaat, moet de gemeenteraad elke vraag afzonderlijk beoordelen. Hun amendement vroeg daarom iets wat ook Groen belangrijk vindt: een toekomstvisie voor het Schepenhuys én een transparant gebruiks- en tariefreglement, zodat elke vereniging onder dezelfde voorwaarden gebruik kan maken van gemeentelijke infrastructuur. Het amendement werd weggestemd. Dat vonden we jammer, want duidelijke regels zijn geen administratieve last. Ze maken beslissingen voorspelbaar, eerlijk en uitlegbaar. En precies dat schept vertrouwen.

Los van dit dossier maakten we nog een principiële bedenking. Wanneer een gemeenteraad beslist over een vereniging waarmee een mandataris een nauwe band heeft, is het voor de zuiverheid van de besluitvorming beter dat die zich onthoudt bij de stemming. Niet omdat we iemand iets verwijten, maar omdat transparantie begint waar ook de schijn van belangenvermenging wordt vermeden. Dat principe geldt voor elk bestuur en voor elke partij.


🚲 Verkeersveiligheid: tijdelijke maatregelen leggen structurele problemen bloot

Aan het einde van elke gemeenteraad mogen raadsleden zelf onderwerpen op tafel leggen. Vaak zijn dat net de vragen die niet in een agendapunt passen, maar daarom niet minder belangrijk zijn. Deze keer brachten we er twee: over verkeersveiligheid en over drinkwater. Op het eerste gezicht totaal verschillende dossiers. Tot je merkt dat ze allebei over hetzelfde gaan: problemen die al lang bestaan, maar pas echt zichtbaar worden wanneer er iets verandert.

Soms heb je wegenwerken nodig om te zien wat bewoners al jaren zien. Door de werken aan het stationskruispunt werden in verschillende straten tijdelijke snelheidsbeperkingen ingevoerd. Een goede beslissing. Alleen ontbreekt de Hooiestraat, terwijl net daar de bezorgdheid groot is. De straat verbindt twee stukken bebouwde kom, is smal, bochtig en telt verschillende blinde opritten. Toch geldt er nog altijd een maximumsnelheid van 70 km/u en is er geen fietspad. Kinderen fietsen er nauwelijks nog, omdat ouders het er te gevaarlijk vinden. Ook in delen van de Waterstraat en de Halfzotmolenstraat ontbreekt veilige fietsinfrastructuur, terwijl auto’s er probleemloos snelheid kunnen maken.

Daarom vroegen we twee dingen: neem ook de Hooiestraat op in de tijdelijke snelheidsbeperking en gebruik deze werken als aanleiding om na te denken over een permanente verlaging waar dat nodig is.

De burgemeester ging daar genuanceerd op in. Hij erkende de bezorgdheden, maar wil de Hooiestraat niet meteen meenemen omdat er minder verkeer is dan in de Waterstraat. Volgens hem pas je beter eerst de weginrichting aan en volgt de snelheidsverlaging daarna. Tegelijk kondigde hij aan dat er dit najaar een verkeersstudie komt die voor de hele gemeente moet bepalen waar structurele snelheidsverlagingen nodig zijn. Ook een permanente maatregel kan daarin worden meegenomen. Dat is geen afwijzing, integendeel. En we waarderen dat.

Toch kijken wij anders naar de volgorde. Voor Groen hoeft verkeersveiligheid niet te wachten op een volledige heraanleg. Tijdelijke maatregelen kunnen vandaag al kwetsbare weggebruikers beter beschermen, terwijl het structurele werk wordt voorbereid. Een weg buiten de dorpskern waar 70 km/u mag worden gereden zonder vrijliggend fietspad, is voor ons net een situatie die vraagt om onmiddellijke aandacht.

Want uiteindelijk gaat dit niet over verkeersborden of snelheidslimieten. Het gaat erover dat kinderen veilig naar school of naar vrienden moeten kunnen fietsen, zonder dat hun ouders hen liever met de auto brengen. We zijn daarom blij dat de burgemeester het probleem ernstig neemt en kijken met vertrouwen uit naar de verkeersstudie in het najaar. Niet om achteraf gelijk te halen, maar omdat een structureel probleem niet verdwijnt zodra de laatste aannemer vertrekt. Veilige straten zijn geen tijdelijke gunst. Ze zijn een blijvende keuze.


💧 Drinkwater: inwoners hebben recht op het volledige verhaal

Onze tweede vraag ging over drinkwater. Of misschien beter: over informatie.

In februari vroeg Jan Vanassche naar de kwaliteit van het drinkwater in Beernem. Heel uitdrukkelijk naar PFAS én naar de onderliggende meetgegevens. Het antwoord stelde gerust: inwoners hoefden zich geen zorgen te maken. Maar het ging alleen over triazolen. Over PFAS en TFA werd niets gezegd. En precies daar wringt het. Geruststellen is niet hetzelfde als volledig informeren.

Intussen weten we dat Beernem twee leveringsgebieden heeft. Het centrum krijgt grondwater uit Waalse winningen. Oedelem, Sint-Joris en Oostveld krijgen behandeld oppervlaktewater uit het Albert- en Netekanaal, met een andere samenstelling en hogere PFAS-waarden. In beide gebieden meet Farys TFA-concentraties van 1.300 nanogram per liter. TFA is een PFAS-verbinding die met de huidige zuiveringstechnieken niet uit het drinkwater kan worden verwijderd.

Op 9 juni 2026 concludeerde het Comité voor Risicobeoordeling van het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) dat TFA schadelijk is voor de voortplanting en voor het ongeboren kind, en adviseerde het om de stof ook zo te classificeren. De Europese norm die daardoor in beeld komt, bedraagt 100 nanogram per liter: dertien keer lager dan de concentratie die Farys in Beernem meet. De Vlaamse advieswaarde ligt vandaag op 15.600 nanogram per liter, zeven keer hoger dan in Wallonië en Nederland. Ook die waarde zal onder druk komen te staan door de nieuwe Europese kaderrichtlijn water.

Daarom stelden we twee vragen. Wil het gemeentebestuur zijn stem als aandeelhouder van Farys gebruiken om de aanpak aan de bron mee op de agenda te zetten? En wil het inwoners voortaan proactief informeren over de waterkwaliteit in hun eigen leveringsgebied?

Het college noemde onze vraag suggestief, alsof we beweerden dat informatie bewust werd achtergehouden. Dat is niet wat we gezegd hebben. Ons punt is eenvoudiger: inwoners kregen niet het volledige beeld.

Inhoudelijk verwees het college naar de hogere overheden. Terecht: de productie van PFAS en de aanpak aan de bron zijn geen gemeentelijke bevoegdheid. Maar net daarom vinden wij dat gemeenten hun rol als aandeelhouder ernstig moeten nemen. Farys kan de vervuiling niet alleen oplossen, maar kan wel wegen op het beleid. En hoe sterker de vraag vanuit de aangesloten gemeenten, hoe groter de druk om de vervuiling bij de bron aan te pakken. Dat is precies het voorzorgsprincipe: niet wachten tot anderen in beweging komen, maar zelf verantwoordelijkheid opnemen waar je kunt.

Op één punt kwam er gelukkig wel beweging. Het college engageerde zich om op de gemeentelijke website een link te plaatsen naar de actuele drinkwatergegevens. Een kleine stap, maar een belangrijke. Want inwoners hebben recht op volledige en correcte informatie over wat er uit hun kraan komt. Dat is geen luxe. Dat is de basis van goed bestuur.


Waarom wij blijven vragen stellen

Sommige mensen vinden dat Groen veel vragen stelt. Dat klopt. Want wie de dossiers van deze gemeenteraad naast elkaar legt, ziet telkens dezelfde scheidslijn. Niet of een reglement klopt op papier, maar of het beleid de mensen bereikt voor wie het bedoeld is. Of net wie het het hardst nodig heeft, tussen de mazen van het net glipt.

Dit bestuur noemt zichzelf sociaal. Op papier is het dat ook. In het meerjarenplan staat zwart op wit dat het zorgt voor de automatische toekenning van gemeentelijke premies. Maar een belofte is pas iets waard als ze ook wordt waargemaakt. Goed bestuur doet wat het zegt en zegt wat het doet. Anders blijven beloften staan waar ze nu staan: op papier.

Dat bewaken is de taak van de oppositie. Niet om tegen te zijn, maar om woorden naast daden te leggen. Wij kijken naar de inwoners die geen brief schrijven, geen formulier invullen en niet luid genoeg roepen om gehoord te worden. Want een gemeente toont haar sociale gezicht niet in haar reglementen of haar plannen. Ze toont het in de mensen die ze bereikt. Of niet bereikt.

Daarom blijven wij vragen stellen. Tot beleid niet alleen goed klinkt, maar ook goed terechtkomt. Bij iedereen.