Tussen de regels - juni 2026

Over wat er gebeurt nadat we iets beloofd, gevraagd of vastgesteld hebben. 

Van half acht tot elf. Twintig agendapunten, verschillende extra punten en daarna nog de OCMW-raad. De eerste gemeenteraad na een warme zomer voelde een beetje als een hitte-onweer: broeierig, onstuimig en met hier en daar een stevige donderslag. Een lange avond dus.

En zoals dat gaat op een gemeenteraad: de oppositie controleert en stelt kritische vragen, de meerderheid bestuurt en verdedigt haar beleid. We discussiëren. We stemmen. We zijn het eens. Of niet. Dat hoort erbij. Die rolverdeling is logisch en ze is nodig. Een gemeenteraad waar niemand nog iets in vraag stelt, zou pas echt zorgwekkend zijn.

Maar ergens onderweg begon ik me af te vragen of we niet soms iets té goed worden in onze toegewezen rollen.

Want oppositie voeren lijkt soms te betekenen dat je vooral tegen moet zijn. Alsof je je werk niet doet wanneer je niet ergens een angel in vindt. En omgekeerd lijkt een kritische vraag soms al snel te worden gehoord als een aanval. Alsof een meerderheid zich bij elke kanttekening eerst moet schrap zetten om haar gelijk te verdedigen.

En dat vind ik jammer.

Want een kritische vraag is toch niet per definitie een aanval? Een vraag stellen betekent toch niet dat je het beleid afwijst? En wijzen op iets wat beter kan, betekent toch al helemaal niet dat je vindt dat er niets goed gebeurt?

Ik zit mee aan die tafel dankzij de mensen die op Groen gestemd hebben. Zij, jullie, wij vormen in Beernem momenteel een minderheid. Maar eenmaal verkozen, zit je daar niet alleen voor de mensen die op jou gestemd hebben. Ik vertegenwoordig ook de Beernemnaar die nooit op Groen zou stemmen, maar morgen wel over dezelfde straat fietst, dezelfde afvalfactuur krijgt of in dezelfde gemeente wil wonen.

Precies daarom wil ik mijn inbreng niet beperken tot kritiek leveren of tegenstemmen. Soms is ze een voorstel. Soms een vraag die een dossier scherper maakt. Soms gewoon een ja.

Want kritiek geven betekent niet dat je tegen alles bent. En ja zeggen tegen een dossier betekent niet dat je je kritische bril ergens aan de ingang van het gemeentehuis hebt achtergelaten.

Uiteindelijk zitten we allemaal aan dezelfde tafel. Met verschillende overtuigingen, verschillende accenten en soms behoorlijk verschillende ideeën. Maar wel met dezelfde gemeente voor ons.

En achter elk agendapunt zitten inwoners die meestal niet wakker liggen van de vraag wie er tijdens de gemeenteraad het laatste woord had. Die willen weten of het werkt. Of hun straat veilig is. Of hun afvalfactuur betaalbaar blijft. Of er iets gebeurt met die warme slaapkamer. Of een probleem waar ze al maanden mee zitten eindelijk wordt opgelost

Hoe lossen we dit op?

Dat is wat ik soms mis. Niet de discussie — die hoort bij politiek en ik voer ze graag. Wel het moment daarna, waarop we kunnen zeggen: goed, we zijn het niet over alles eens. Maar wat kunnen we wél samen doen?

Misschien begint echte samenwerking wel bij iets heel eenvoudigs: beseffen dat niet elke tegenstem een tegenstander is. En dat daar langs beide kanten ruimte voor moet zijn.

Met die gedachte heb ik deze gemeenteraad bekeken.

ilt opnieuw een mens. Eigenlijk draait het telkens weer om dezelfde eenvoudige vraag: wie zien we wel, en wie zien we niet?


🔥Een plan is ook een belofte

Een meerjarenplan. Het woord alleen al klinkt behoorlijk definitief. Alsof je ergens een dikke map neerlegt, een plechtige handtekening zet en vervolgens zes jaar lang netjes volgens plan door het leven gaat. Zo werkt het natuurlijk niet.

Het moet kunnen bewegen. De werkelijkheid doet dat tenslotte ook. Prijzen stijgen, omstandigheden veranderen, plannen blijken duurder dan gedacht en af en toe duikt er al eens een Vlaamse subsidie op die even later weer verdwijnt. Een glazen bol zit helaas nog altijd niet standaard in het collegepakket.

Een meerjarenplan is eigenlijk een beetje zoals een routeplanner. Je kiest een bestemming, stippelt een mooie route uit en vertrekt met het optimisme van iemand die nog niet naar de verkeersinformatie heeft gekeken.

Dat was ook ongeveer de boodschap van de burgemeester tijdens de bespreking van het opvolgingsrapport: het meerjarenplan is geen wet, maar een richting. En uiteraard klopt dat. Niemand verwacht dat een bestuur zes jaar lang met oogkleppen op hetzelfde lijstje afwerkt.

Dat een meerjarenplan geen in steen gebeiteld contract is, begrijp ik. Een routeplanner durft je tegenwoordig ook al eens een veldweg op te sturen waarvan je denkt: dit kan toch niet de bedoeling zijn?

Maar een plan is wel méér dan een verzameling goede voornemens. Het is ook een belofte aan de inwoners en aan de kiezers. En bij zo’n belofte hoort natuurlijk ook dat je nadenkt over wat haalbaar is. Niet dat elk vinkje gegarandeerd op de voorziene datum wordt gezet, maar wel: dit vinden we belangrijk en hier willen we naartoe.

Er is dus een wezenlijk verschil tussen bijsturen en je kompas opbergen.

En precies daarom vind ik het jammer wanneer we achteraf vooral vertellen waarom iets toch anders loopt.

Het opvolgingsrapport is dan het moment waarop je even controleert: zitten we nog op de juiste weg? Dat bleek tijdens deze gemeenteraad toch niet helemaal vanzelfsprekend.

De kritiek kwam vooral van N-VA. Niet altijd even genuanceerd — soms werd er wel héél enthousiast op dezelfde nagel geklopt — maar helemaal ongelijk hadden ze niet. Want we zijn nog geen jaar ver in deze legislatuur en hier en daar zien we ambities al wat verschuiven.

Een plan mag veranderen. Maar als er al zo snel aan de ambities wordt geschaafd, mogen we er toch op wijzen dat we bij het begin al opmerkten dat er wel erg enthousiast met ambities werd gestrooid en de haalbaarheid twijfelachtig is.

Mijn focus ging vooral naar milieu en klimaat. Op het terrein zien we gelukkig dingen die wél vooruitgaan. Bomen, hagen, natuurgroenperken. Dingen die je kunt aanwijzen en zeggen: kijk, daar is iets gebeurd. En dat is goed. Dat mogen we gerust benoemen.

Oppositie voeren betekent niet dat je met een rood potlood naar de gemeenteraad komt en pas tevreden bent wanneer er niets meer overeind staat.

Maar sommige klimaatkeuzes zijn van een ander soort. Die zie je niet meteen op straat. Die beginnen niet met een schop in de grond, maar met een plan. En net daar begon bij mij een waarschuwingslampje te branden.

Het lokaal warmte- en het sloopbeleidsplan bijvoorbeeld. Die worden niet geschrapt. Niet uitgesteld. Nee, de opmaak moet “opnieuw geëvalueerd worden” nu het Vlaamse kader en de bijhorende subsidie wegvallen.

Dat klinkt heerlijk beleidsmatig. Bijna geruststellend.

Tot je bedenkt wat er eigenlijk wegvalt: een Vlaamse verplichting en de subsidie die eraan vasthing.

Alleen: de warmte verdwijnt natuurlijk niet mee. Dus de nood aan zo’n plan evenmin.

De schepen gaf aan dat de plannen verder opgevolgd en geactualiseerd worden. Dat klinkt op zich geruststellend. Alleen: jaarlijkse cijfers opvolgen is iets anders dan een plan hebben over waar je naartoe wilt.

Een warmteplan gaat bovendien niet alleen over de vraag hoe we in de toekomst van fossiele brandstoffen af raken. Het gaat ook over afkoelen. Over hoe we Beernem leefbaar houden wanneer we volgende zomer weer met hoge temperaturen te maken krijgen.

Deze zomer kregen we niet één, maar drie hittegolven. Volgens Sciensano waren er in Vlaanderen in die periode ongeveer 1.300 overlijdens meer dan normaal. Dan wordt “koelte” toch een ander woord dan een leuke bijkomstigheid in een beleidsplan.

Stel dat je in augustus op de derde verdieping van een appartement woont waar de temperatuur maar blijft oplopen. Dan heb je weinig aan het feit dat de gemeente keurig cijfers heeft bijgehouden. Je wilt weten waar je naartoe kunt.

Kunnen we van de bib een echte koele plek maken? Kunnen kerken of andere koele publieke gebouwen op hete dagen hun deuren openzetten? Nu ja, misschien niet letterlijk dan. Kunnen woonzorgcentra of verenigingen mee een vangnet vormen voor mensen die thuis de hitte niet meer de baas kunnen?

Dat zijn geen bijzaken.

Dat ís klimaatbeleid, op het moment dat je het naar mensen brengt.

En daar zit voor mij het verschil tussen een plan omdat Vlaanderen erom vraagt en een plan omdat onze inwoners het nodig hebben.

Hetzelfde geldt voor het sloopbeleid. Dat klinkt misschien als een behoorlijk saai woord voor iets wat uiteindelijk heel concreet wordt: wat doen we met oude woningen, hoe bouwen we toekomstbestendig en hoe zorgen we ervoor dat die huizen niet alleen in de winter leefbaar zijn, maar ook tijdens de volgende hittegolf?

Het gaat niet over een document dat ergens in een gemeentelijke kast belandt, maar over mensen die vandaag een huis kopen, verbouwen of afbreken en willen weten: wat is hier binnen twintig jaar nog een verstandige keuze?

Ik snap overigens ook het andere argument dat in de raad klonk. De eerste schepen gaf aan dat medewerkers misschien beter bezig zijn met het uitvoeren van beleid dan met het schrijven van nog maar eens een rapport. Daar zit iets in. Papier alleen maakt een gemeente natuurlijk niet warmer, koeler of klimaatbestendiger.

Maar een plan is ook niet zomaar papier.

Het is geen administratieve verplichting die je netjes uit de kast haalt zolang er een subsidie tegenover staat. Het is een kompas. Voor een bestuur, maar ook voor inwoners die vandaag beslissingen nemen over een huis waarin ze over twintig of dertig jaar nog willen wonen.

Niet dat alles exact zal lopen zoals op papier. Dat kan niemand beloven. Maar wel dat we vandaag nadenken over de problemen die we morgen liever niet pas ontdekken wanneer ze al voor onze deur staan.

Alleen heeft de werkelijkheid daar doorgaans weinig zin in. Want klimaatverandering wacht niet netjes tot een nieuwe Vlaamse verplichting zich aandient.

We volgen daarmee misschien de koers die vandaag ook hogerop wordt uitgezet: minder verplichtingen, minder middelen, en klimaatbeleid dat stilaan iets krijgt van een post waar we liever niet te lang naar kijken.

Het lastige aan klimaatbeleid is misschien wel dat de kost vandaag zichtbaar is, terwijl de opbrengst zich pas later laat voelen. Een investering zie je op de begroting. Een vermeden kost binnen tien jaar een stuk minder.

Dan is het verleidelijk om een plan opnieuw te evalueren, nog wat cijfers te verzamelen en vooral te hopen dat het probleem zich ondertussen even koest houdt.

Tot het, zoals dat met ongemakkelijke dingen gaat, toch weer als een duiveltje uit een doosje tevoorschijn springt.

Een plan is een richting. Het hoeft geen keurslijf te zijn, maar het mag ook geen vrijblijvende boodschappenlijst worden.

Want als we vandaag al weten dat warmte, water, woningen en klimaat morgen alleen maar belangrijker worden, lijkt het mij verstandiger om daar vandaag een kompas voor te maken.

Daarom bleef ik wat op mijn honger zitten bij het antwoord dat de plannen verder opgevolgd en up-to-date gehouden worden. Want precies daar zit volgens mij de vraag: gaan we nog altijd actief die richting uitzetten, ook nu de Vlaamse financiële stok achter de deur wegvalt.


🦌 En dan de jacht

En dan was er nog de jacht.

De gemeente verpacht het jachtrecht op het Beverhoutsveld opnieuw. In hetzelfde bestek zit ook een klein perceel achter de begraafplaats van Sint-Joris, waar al sinds de vorige legislatuur een afspraak loopt met een aanpalende jager.

Dat dossier kreeg deze zomer even zijn eigen momentje in de media. Volgens de toelichting was dat “wellicht omdat het komkommertijd was”.

Ik moest daar toch even van slikken.

Want of mensen nu voor of tegen de jacht zijn: hun bezorgdheid daarover wegzetten als iets wat alleen tijdens komkommertijd bovenkomt, vond ik nogal makkelijk. Jacht roept vandaag nu eenmaal vragen op over hoe we met natuur en dieren omgaan. Je kunt daar verschillend over denken, maar de discussie is daarom niet minder relevant.

Tegelijk is ook het probleem echt.

Er is een konijnenplaag. En wie bloemen op een graf ziet verdwijnen omdat de konijnen blijkbaar ook hun culinaire voorkeuren hebben, wil daar begrijpelijkerwijs iets aan doen. Ook landbouwers in de omgeving ondervinden vraatschade.

In de gemeenteraad werd vooral toegelicht hoe het dossier gelopen was. Ik bleef zelf wat hangen bij een andere vraag: waarom doen we dit eigenlijk?

Daar zit voor mij de kern. Het jachtrecht hangt samen met het eigendomsrecht. Zolang de gemeente het niet verpacht, blijft ze zelf verantwoordelijk voor het beheer en voor eventuele schade. Dat lijkt mij eigenlijk een veel interessanter antwoord dan: “omdat het nu eenmaal zo loopt”.

Dat antwoord had voor mij dus gerust wat meer op tafel mogen liggen.

Wij stemden voor.

Dat verdient misschien wat uitleg, want wie mij een beetje kent, weet dat jacht niet meteen bovenaan mijn lijstje van favoriete vormen van natuurbeheer staat.

Ook binnen onze fractie was daar discussie over. Want een konijnenplaag is geen theoretisch probleem. Sommigen herinnerden zich nog hoe het was toen er overal konijnen, blind van de myxomatose, over straat liepen. Dat maakt zo'n dossier toch net iets minder zwart-wit dan het op papier soms lijkt.

Ik heb het daarom laten passeren.

Niet omdat mijn principes plots een zomers verlof hadden genomen. Wel omdat dit vandaag de voorliggende manier is waarop de gemeente dit probleem kan aanpakken.

Daarmee stemde ik dus wel tegen mijn eigen voorkeur in.

Want eigenlijk zou ik liever zien dat we nadenken over beheer vanuit een gezond ecosysteem, in plaats van telkens opnieuw in te grijpen wanneer één soort uit balans raakt. Niet alleen reageren op het konijn dat vandaag te veel is, maar kijken naar het geheel waarin dat konijn leeft.

Dat gesprek wil ik nog wel voeren.

Maar niet bovenop een concreet probleem dat ondertussen gewoon opgelost moet worden. Eerst zorgen dat de bloemen op de graven blijven staan. Daarna kunnen we nog altijd grondig nadenken over hoe we het liever zouden aanpakken.

Politiek is soms blijkbaar ook kiezen tussen wat je principieel het liefst zou willen en wat je vandaag verantwoordelijk kunt doen.

En ja, dat is een stuk minder eenvoudig dan gewoon voor of tegen de jacht zijn.


🏘️ DNA van het dorp: meedenken, en dan?

Beernem tekent in op de provinciale projectoproep ‘DNA van het dorp’ voor een masterplan voor Oedelem. Het masterplan kost €70.000. De provincie betaalt de helft en stelt het ontwerpteam aan, de gemeente legt €35.000 bij via een aanpassing van het meerjarenplan. Er zijn meer dan acht kandidaturen, slechts vier West-Vlaamse gemeenten kunnen geselecteerd worden.

Wij steunen dit volmondig.

In Oedelem komen verschillende dossiers samen die je eigenlijk niet los van elkaar kunt bekijken: de schoolsite De Bevertjes die in 2027 vrijkomt, de oude steenbakkerij die na sanering een publiek park kan worden rond een beschermd monument, de Sint-Lambertuskerk als gemeenschapsruimte, een dorpspunt en de ruimte tussen begraafplaats, kerkplein en markt.

Voor ons is dit een kans om die puzzel eindelijk samen te leggen. Om kernverdichting op maat te doen in plaats van zomaar appartementen toe te voegen. Om erfgoed te bewaren, te ontharden en trage verbindingen te maken.

Mijn vraag ging over ons geld.

In het aanmeldingsformulier staat dat ook de woontypologie voor Oedelem wordt uitgewerkt, terwijl bij de WVI al een traject rond woontypologie voor onze dorpskernen liep. Ik wilde dus weten of dat bestaande werk wordt meegenomen, of we straks opnieuw betalen voor iets wat al eerder onderzocht is.

Het antwoord was verrassend open. De schepen gaf toe dat het traject rond woontypologie in Oedelem is vastgelopen. Ook in de GECORO is daar destijds niets over afgeklopt. Maar wat er al gebeurd is, hoeft volgens hem niet in de vuilnisbak. Inzichten veranderen en als Beernem geselecteerd wordt, is dit net het moment om de bestaande kennis en het nieuwe traject samen te brengen.

Dat horen we graag.

Wat nog niet vastligt, is hoe dat concreet zal gebeuren. De provincie stelt het ontwerpteam aan en het blijft dus belangrijk dat het bestaande WVI-werk effectief als vertrekpunt wordt meegegeven. Dat is voor mij het soort detail waarop je moet letten: niet alleen op de mooie intenties in een dossier, maar op wat er straks daadwerkelijk in de opdracht staat.

Wij volgen dat op.

Dezelfde bedenking geldt trouwens voor de site van De Bevertjes, waar ook al een traject bij de WVI loopt.

En dan kwamen we bij participatie. Vanuit N-VA klonk de bedenking: we hebben dat al eens geprobeerd met de kerken en daar is weinig van in huis gekomen. En als tien mensen met een andere visie komen, ga je dan alles aanpassen?

Ik begrijp die bezorgdheid. Maar voor mij is participatie geen referendum en ook geen blanco cheque. Het gaat erom dat inwoners hun kennis en ideeën kunnen inbrengen binnen duidelijke krijtlijnen.

En daar hoort opvolging bij.

Als je mensen vraagt om mee te denken over hun dorp, moet je achteraf ook kunnen zeggen wat je met die ideeën hebt gedaan. Wat is meegenomen? Wat niet? En waarom?

Niet iedereen hoeft zijn zin te krijgen. Maar iedereen die de moeite doet om mee te denken, verdient wel een antwoord.

En precies daarom werd het volgende dossier voor mij interessanter dan het op het eerste gezicht leek. Want wat gebeurt er wanneer dat antwoord ergens onderweg blijft hangen?


💧 Een advies vragen is één ding

Dan de baangrachten. Een reglement over wanneer je een gracht langs de weg mag overwelven om op je perceel te geraken. Niet meteen het meest sexy onderwerp van een gemeenteraad, maar wel eentje met meer betekenis dan je op het eerste gezicht zou denken.

Want zo’n gracht buffert water, laat regenwater infiltreren en voert af wat er te veel is. Elke overwelving is dus ook een stukje waterbuffer minder.

In grote lijnen konden wij ons dan ook vinden in het reglement. Het beperkt het aantal overwelvingen en percelen die samen bewerkt worden, worden voortaan als één geheel bekeken. Niet langer voor elk kadastraal perceel een aparte inrit. Dat lijkt mij alleen maar logisch.

Maar toen ik de stukken bekeek, bleef ik ergens haperen.

Het advies van de landbouwraad zat erbij. Dat van de milieuraad niet.

Ik vroeg dus of de milieuraad intussen een antwoord had gekregen. Artikel 17 van de statuten bepaalt dat het college binnen de vier weken een gemotiveerd antwoord moet geven, ook wanneer een advies niet wordt gevolgd. En was de aangepaste tekst nog eens aan de milieuraad voorgelegd, zoals die zelf had gevraagd?

Want er wás wel degelijk een advies.

De milieuraad vroeg onder meer om watercompensatie als uitgangspunt te nemen — “zal” in plaats van “kan” — en om infiltratie en ontharding expliciet mee te nemen. Ook voor een aanmaning werd een redelijke termijn gevraagd.

Het antwoord van de schepen maakte het verhaal eigenlijk alleen maar vreemder.

Het college had begrepen dat er vanuit de milieuraad geen opmerkingen waren.

Alleen stond dat advies dus gewoon in het verslag van de milieuraad.

Tja.

De schepen gaf eerlijk toe dat hij dat vervelend vond. Dat vond ik ook. Niet omdat een advies per definitie gevolgd moet worden. Een adviesraad bestuurt de gemeente niet. Maar je moet natuurlijk wel weten welk advies er op tafel ligt voor je beslist wat je ermee doet.

Dus vroeg ik om het punt uit te stellen.

Dat werd aanvaard. “Je krijgt het voordeel van de twijfel”, klonk het. Het dossier gaat naar oktober, zodat alles nog eens nagekeken kan worden.

En eigenlijk vond ik dat prima.

Een maand later beslissen met alle stukken op tafel lijkt mij een stuk beter dan vandaag beslissen terwijl er ergens onderweg een advies verdwenen is.

Want dat is misschien de meest eenvoudige vorm van participatie: je hoeft niet altijd te doen wat mensen vragen. Maar je moet wel zorgen dat hun advies de tafel bereikt.

Zeker als mensen daar ’s avonds hun vrije tijd voor hebben opgeofferd.

Een advies vragen is één ding. Er ook voor zorgen dat het niet ergens tussen twee vergaderingen verdwijnt, is blijkbaar nog iets anders.


♻️ Bij DifTar had ik graag een andere vraag gehoord

N-VA bracht een extra punt op de agenda: de invoering van het DifTar-containersysteem opschorten, in afwachting van een evaluatie. Meer dan duizend mensen hadden daarvoor een petitie ondertekend.

En laat ons eerlijk zijn: die mensen hebben vragen.

Waar moet die container staan als je op een appartement woont? Wat gaat dat kosten? En wat doe je ermee als je op een warme dag met luiers zit die je niet zomaar een week kan laten staan?

Dat zijn geen onredelijke vragen. Als je iets verandert dat bij mensen letterlijk in hun huis en hun dagelijkse leven terechtkomt, mag je verwachten dat daar vragen over komen.

Ik vind de timing dan ook ongelukkig. De gemeenteraad besliste over de invoering vóór de infoavonden hadden plaatsgevonden. Die komen pas in oktober. Dan creëer je natuurlijk een beetje je eigen mist. Mensen hebben vragen, maar de antwoorden zijn er nog niet. En ondertussen verzamelt iemand handtekeningen.

Tot daar kan ik het volgen.

Waar ik moeite mee heb, is de manier waarop daarna het debat wordt gevoerd. Door vooral de bezorgdheden en mogelijke problemen stevig in de verf te zetten, krijgt de burger al snel de indruk dat er eigenlijk maar één oplossing is: stoppen.

Terwijl ik liever een andere vraag had gehoord.

Niet: hoe krijgen we DifTar van tafel? Maar: wat hebben we nodig om DifTar te laten werken?

Want de bezorgdheden zijn er nu eenmaal. En voor veel praktische problemen bestaan er elders al oplossingen. Dan kunnen we misschien eens kijken hoe andere gemeenten het aanpakken, in plaats van elkaar vooral te overtuigen dat het hele systeem moet worden stilgelegd.

Wij blijven achter het principe van DifTar staan. Wie meer restafval produceert, betaalt meer. Niet omdat we mensen graag met een rekening om de oren slaan, maar omdat restafval ergens naartoe moet. Het wordt verbrand. En we hebben met z’n allen afgesproken dat we tegen 2030 van 126 naar 90 kilo restafval per inwoner willen.

Een opschorting brengt ons daar niet dichter bij. Ze kost de gemeente geld en lost ondertussen geen van de aangehaalde praktische problemen op.

Dus stemden wij tegen. De opschorting werd verworpen met dertien stemmen tegen zeven.

Maar mijn grootste bedenking bij dit debat zat eigenlijk ergens anders.

Als we mensen vragen om minder restafval te produceren, moeten we ook eerlijk kijken naar wie daar niet zomaar dezelfde marge voor heeft. Een gezin met kleine kinderen heeft nu eenmaal luiers. Die verdwijnen niet omdat we een afvaldoelstelling hebben afgesproken. En wie elke euro moet omdraaien, voelt een extra afvalkost nu eenmaal anders dan wie daar financieel weinig van merkt.

Daarom stelde ik in juni drie correcties voor: een automatische tegemoetkoming voor gezinnen met jonge kinderen, een correctie voor mensen met recht op de verhoogde tegemoetkoming en een indexering, zodat die correcties mee evolueren met de tarieven.

Van die drie werd alleen de indexering weerhouden.

De schepen had daar een duidelijk argument voor. De verhoogde tegemoetkoming zegt volgens haar niet noodzakelijk wie werkelijk ondersteuning nodig heeft. Als je sociale correcties invoert, moet je zorgen dat ze terechtkomen bij de mensen die ze echt nodig hebben.

Dat argument neem ik ernstig. Maar het mag ook geen excuus worden om dan maar niets te doen.

Want een sociale correctie die op papier bestaat, is nog geen sociale correctie die mensen ook echt helpt. Als iemand eerst formulieren moet invullen, moet weten dat de tegemoetkoming bestaat en vervolgens nog moet bewijzen dat die nodig is, bereik je misschien net de mensen niet voor wie het verschil het grootst is.

Daarom vind ik dat we verder moeten zoeken. Niet naar een regeling die er administratief netjes uitziet, maar naar een regeling die in het echte leven werkt.

Want als we van iedereen verwachten dat die meehelpt om minder restafval te produceren, mogen we ook verwachten dat de gemeente oog heeft voor wie daar vandaag minder gemakkelijk in mee kan.

Daarom vroegen we het college om die correcties opnieuw te bekijken.

Voor mij is dat uiteindelijk de echte uitdaging van DifTar: niet doen alsof er geen problemen zijn, maar ze ook niet groter maken dan ze zijn. Kijken waar het wringt, oplossingen zoeken en bijsturen waar nodig.

Dat lijkt mij een stuk constructiever dan mensen laten geloven dat er maar twee mogelijkheden zijn: alles slikken zoals het komt, of de stekker eruit trekken.

Ergens tussen die twee begint het echte sociale beleid.


🧪PFAS aan ’t Maandagse: vier jaar en nog altijd geen timing

Sommige dossiers blijven op de gemeenteraad terugkomen omdat ze ingewikkeld zijn.

En sommige omdat ze blijkbaar gewoon blijven liggen.

PFAS aan ’t Maandagse hoort voor mij stilaan in die tweede categorie.

Het Damage Control Center ligt hier bij ons. Sinds de jaren zeventig wordt er geoefend met blusschuim. We weten ondertussen wat dat betekent. In 2022 stelde OVAM vast dat zowel de bodem als het grond- en oppervlaktewater ernstig verontreinigd zijn.

Ernstig verontreinigd.

Dat zijn van die woorden waar je eigenlijk even bij zou moeten stoppen.

Zeker omdat het hier niet om een verlaten industrieterrein gaat, maar om een natuurgebied met kwetsbaar grondwater, vlak bij habitatrichtlijngebied. En omdat vervuiling, helaas, niet zo beleefd is om aan de perceelsgrens te stoppen.

Toch zijn we ondertussen vier jaar verder.

De vervuiling is nog altijd niet volledig afgebakend. Het bodemonderzoek loopt nog. En een timing voor de sanering? Die is er niet.

Dat vind ik moeilijk te begrijpen.

Niet omdat ik verwacht dat een PFAS-sanering op een namiddag geregeld is. Natuurlijk niet. Dit is complexe materie, de site is eigendom van Defensie en Beernem kan daar niet zomaar zelf met een graafmachine aan de slag.

Maar tussen “dit is ingewikkeld” en “we hebben na vier jaar nog altijd geen timing” zit toch nog wel wat ruimte.

Intussen blijft er een no-regretzone. Er zijn stroomafwaarts al sporen vastgesteld richting de Assebroekse Meersen. En ondertussen wandelen Beernemnaren gewoon verder door dat natuurgebied.

Ik weet dat een gemeentebestuur dit niet alleen kan oplossen.

Maar misschien kunnen we het wél moeilijker maken om het te laten liggen.

Dit dossier werd trouwens niet gisteren voor het eerst op tafel gelegd. In de vorige legislatuur trokken Roos Lambrecht en Jan Vanassche er al aan, samen met onze Brugse collega Andries Neirynck. Na een tussenkomst van Roos werd de site bij OVAM aangemeld als verdachte locatie.

Het onderzoek kwam er dus. De vervuiling werd vastgesteld.

Nu moet er vooral iets gebeuren.

Daarom vroeg ik het college of Beernem samen met Brugge en Damme één duidelijk signaal wil geven aan Defensie en OVAM. Niet nog eens vaststellen dat we bezorgd zijn, maar vragen dat deze vervuiling prioritair wordt aangepakt. En vooral: of Beernem daarin zelf het initiatief wil nemen.

Het antwoord van de burgemeester stelde me eigenlijk gerust. Hij had de burgemeesters van Brugge en Damme al gecontacteerd. Zij zijn bereid mee te stappen in een gezamenlijk schrijven en Beernem neemt de aanzet.

Kijk. Dat is nu eens iets waar ik blij van word op een gemeenteraad.

Geen grote woorden. Geen politieke stoelendans over wie er verantwoordelijk is. Gewoon drie gemeenten die zeggen: dit ligt op ons grondgebied, het raakt onze inwoners, dus laten we samen aan de bel trekken bij wie het wél kan oplossen.

En dat mag van mij best stevig.

Want als de federale overheid vandaag miljarden vrijmaakt voor Defensie, lijkt het mij niet onredelijk om te vragen dat Defensie ook verantwoordelijkheid neemt voor de historische vervuiling die ze zelf heeft veroorzaakt.

Veiligheid is meer dan wapens en kazernes.

Het is ook kunnen wandelen in je eigen natuurgebied zonder je af te vragen wat er ondertussen door de bodem en het water stroomt.

Onze collega Eva Vanhoorne stelde dezelfde vraag in Brugge.

Nu is het aan drie gemeenten om van diezelfde vraag één luidere stem te maken


🧪 PFAS DCC Ryckevelde: vier jaar en nog altijd geen timing

Sommige dossiers blijven op de gemeenteraad terugkomen omdat ze ingewikkeld zijn.

En sommige omdat ze blijkbaar gewoon blijven liggen.

PFAS aan ’t Maandagse hoort voor mij stilaan in die tweede categorie.

Het Damage Control Center ligt hier bij ons. Sinds de jaren zeventig wordt er geoefend met blusschuim. En de site wordt vandaag nog altijd gebruikt voor brandoefeningen. Er ligt zelfs een geïmproviseerde boot om te kunnen oefenen op zware branden op zee.

Dat maakt het verhaal toch wat wrang.

Want in 2022 stelde OVAM in het verkennend bodemonderzoek vast dat zowel de bodem als het grond- en oppervlaktewater ernstig verontreinigd zijn.

Ernstig verontreinigd.

Dat zijn van die woorden waar je eigenlijk even bij zou moeten stoppen.

Zeker omdat het hier niet om een verlaten industrieterrein gaat, maar om een natuurgebied met bijzonder kwetsbaar grondwater, grenzend aan habitatrichtlijngebied. En omdat vervuiling, helaas, niet zo beleefd is om aan de perceelsgrens te stoppen.

In het verleden waren er al saneringen, onder meer in 2007 en na een olielek in 2011. Allebei onvolledig, omdat de infrastructuur anders volledig afgebroken had moeten worden.

En een verhuis van het DCC blijkt vandaag niet aan de orde.

Toch zijn we ondertussen vier jaar verder.

De vervuiling is nog altijd niet volledig afgebakend. Het bodemonderzoek loopt nog. En een timing voor de sanering? Die is er niet.

Dat vind ik moeilijk te begrijpen.

Niet omdat ik verwacht dat een PFAS-sanering op een namiddag geregeld is. Natuurlijk niet. De site is eigendom van Defensie en Beernem kan daar niet zomaar zelf met een graafmachine aan de slag.

Maar tussen “dit is ingewikkeld” en “we hebben na vier jaar nog altijd geen timing” zit toch nog wel wat ruimte.

Intussen blijft er een no-regretzone. Stroomafwaarts zijn al sporen vastgesteld richting de Assebroekse Meersen. En ondertussen wandelen Beernemnaren gewoon verder door dat natuurgebied.

Ik weet dus dat Beernem dit niet alleen kan oplossen.

Maar we kunnen wel druk blijven zetten.

Dit dossier werd trouwens niet voor het eerst op tafel gelegd. In de vorige legislatuur trokken ons raadslid Roos Lambrecht en milieuschepen Jan Vanassche er al aan, samen met onze Brugse collega Andries Neirynck. Na een tussenkomst van Roos liet Beernem de site bij OVAM aanmelden als verdachte locatie. Zo kwam het onderzoek op gang.

Het onderzoek kwam er. De vervuiling werd vastgesteld.

Nu moet er vooral iets gebeuren.

Daarom vroeg ik het college of Beernem samen met Brugge en Damme één duidelijk signaal wil geven aan Defensie en OVAM. Niet nog eens vaststellen dat we bezorgd zijn, maar vragen dat deze vervuiling prioritair wordt aangepakt. En vooral: of Beernem daarin zelf het initiatief wil nemen.

Het antwoord van de burgemeester stelde me eigenlijk gerust. Hij had de burgemeesters van Brugge en Damme al gecontacteerd. Zij zijn bereid mee te stappen in een gezamenlijk schrijven en Beernem neemt de aanzet.

Kijk. Dat is nu eens iets waar ik blij van word op een gemeenteraad.

Geen grote woorden. Geen politieke stoelendans over wie er verantwoordelijk is. Gewoon drie gemeenten die zeggen: dit ligt op ons grondgebied, het raakt onze inwoners, dus laten we samen aan de bel trekken bij wie het wél kan oplossen.

En dat mag van mij best stevig.

Want de federale regering trekt vandaag in een ongezien tempo extra middelen uit voor Defensie. Dan mag je toch verwachten dat Defensie ook verantwoordelijkheid neemt voor de historische vervuiling die ze zelf veroorzaakt heeft.

Investeren in veiligheid is meer dan investeren in materiaal en mensen.

Het is ook zorgen voor proper water en een gezonde bodem.

Onze collega Eva Vanhoorne stelde dezelfde vraag in Brugge. Nu is het aan drie gemeenten om van diezelfde bezorgdheid één duidelijke stem te maken.

Nu nog hopen dat het gezamenlijk schrijven ook niet vier jaar onderweg is.